SCHUITEMAKER, Catharina Johanna

Cato (Vernée-)Schuitemaker

(roepnaam: Cato), feministe en publiciste, is geboren te Medemblik op 6 november 1850 en overleden te Utrecht op 28 juli 1919. Zij was de dochter van Petronella Schuitemaker, grutster, en Dirk Schuitemaker, grutter. Op 22 april 1873 trad ze in het huwelijk met Leonard Gerard Vernée, adjunct-kommandant bij de gevangenissen en commissaris van politie, met wie ze twee dochters kreeg. Op 25 juni 1886 scheidden zij van tafel en bed, waarna het huwelijk op 7 januari 1898 werd ontbonden.
Pseudoniem: Johanna.

Schuitemaker groeide op als middelste van vijf kinderen in een tijd dat er voor meisjes weinig onderwijsmogelijkheden waren, zeker in een provinciestadje als Medemblik. Begin 1862 verhuisde zij als twaalfjarige naar Alkmaar. In juli 1864 keerde zij bij haar ouders in Medemblik terug. Haar vader stierf plotseling toen ze vijftien was. Daarna dreef haar moeder de grutterszaak, totdat het jongste kind, Frederik Pieter (Frits), twaalf was. Toen verhuisde de weduwe Schuitemaker naar Hoorn, vermoedelijk vanwege zijn schoolopleiding. In hetzelfde jaar dat haar moeder met de zaak stopte, in 1873, trouwde Schuitemaker met Leonard Vernée, die was benoemd tot commissaris van politie in Amsterdam. Daar werd hun oudste dochter geboren. De tweede kregen ze in Scheveningen, waar Vernée nog geen drie jaar later dezelfde functie had gekregen, die hij tot zijn vervroegd pensioen in 1897 zou bekleden. Het huwelijk liep echter al stuk in 1884. In datzelfde jaar overleed Schuitemakers nicht Johanna Schingen Hagen, die net als zij in Den Haag woonde en getrouwd was met Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Domela Nieuwenhuis zocht iemand om voor zijn gezin te zorgen en vond die in de tante van zijn pas overleden vrouw. De weduwe Schuitemaker ging bij het gezin Domela Nieuwenhuis in de Malakkastraat inwonen, waar zij ‘tante Piet’ werd genoemd. Haar dochter verhuisde, vermoedelijk pas nadat in juni 1886 de scheiding van tafel en bed was uitgesproken, met haar twee dochters naar de Riouwstraat, zodat ze in de buurt van haar moeder kwam te wonen. De twee dochters van Domela Nieuwenhuis scheelden weinig in leeftijd met de meisjes Vernée en beide gezinnen trokken veel met elkaar op. Ook Schuitemakers jongste broer Frits, die in Amsterdam geneeskunde studeerde, logeerde regelmatig in Den Haag. Domela Nieuwenhuis zelf was druk met de socialistische beweging, met zijn blad Recht voor Allen en met spreekbeurten overal in het land.

Het leven van het gezin Domela Nieuwenhuis veranderde toen hij begin 1887 naar de Utrechtse gevangenis moest om een straf van een jaar uit te zitten. Om zijn afwezigheid op te vangen werd een taakverdeling afgesproken. Kees Croll, bestuurder van de Sociaal-Democratische Bond (SDB) en mederedacteur van Recht voor Allen, deed de redactie nu alleen. Hij trad ook op als voogd van de kinderen en beheerde de financiën van Domela Nieuwenhuis, taken waarvan moeder en dochter Schuitemaker vanwege hun sekse door de wet waren uitgesloten. Dochter Schuitemaker informeerde alle belangstellenden over de toestand van de gevangene. Daarvoor was het nodig dat zij hem in de gevangenis kon bezoeken, wat niet vanzelf sprak omdat ze geen familie van hem was. Toch kreeg ze toestemming, op voorspraak van haar moeder die de gevangenisdirecteur kende. Voor overleg met de gevangenisarts nam ze weleens haar broer Frits mee naar Utrecht. Verder correspondeerde ze met de broers van Domela Nieuwenhuis, Co en Adriaan, die naar zij hoopte invloed konden uitoefenen om hem vrij te krijgen of althans zijn detentieregime te verlichten. Na Domela Nieuwenhuis’ vertrek naar de gevangenis was ze in zijn huis gaan logeren om haar bejaarde moeder beter te kunnen helpen bij al het werk dat de bijzondere situatie van het gezin met zich meebracht, maar dat bleek geen houdbaar arrangement. Want ook al was Schuitemaker van tafel en bed gescheiden, haar positie bleef precair doordat Vernée steeds redenen zocht om hun beider dochters bij haar weg te kunnen halen. Hij slaagde er zelfs in toegang te krijgen tot de minister van Justitie, die vervolgens het gevangenisbestuur opdroeg te verhinderen dat zij de meisjes zou meenemen wanneer ze de gedetineerde socialist bezocht. Door alle verhalen die over haar relatie met Domela Nieuwenhuis rondgingen zag zij zich genoodzaakt weer apart te gaan wonen. Evengoed werd Schuitemaker in krantenverslagen van de viering van de vrijlating van Domela Nieuwenhuis, begin september 1887, diens ‘aanstaande vrouw’ genoemd.

Van trouwen was echter geen sprake, alleen al doordat het Burgerlijk Wetboek echtscheiding bemoeilijkte. Voordat een huwelijk kon worden ontbonden gingen er zeker zeven jaar overheen: eerst een jaar tot de uitspraak van de scheiding van tafel en bed, dan vijf jaar gescheiden leven om een echtscheiding te kunnen aanvragen en tenslotte nog een jaar voordat die zijn beslag kreeg. Deze wetsbepalingen waren een belangrijk mikpunt van de brochure Oproeping aan de vrouwen die Schuitemaker in het voorjaar van 1888 publiceerde onder het pseudoniem Johanna, haar tweede voornaam. Daarin ging het om het onrecht jegens de echtgenote, want de vader behield alle rechten over de kinderen en kon de moeder daarmee het leven zuur maken. Dat paste in een huwelijksrecht dat de vrouw rechteloos maakte. Door te trouwen werd zij overgeleverd aan de willekeur van de man, aldus Schuitemaker. De ontwrichting van haar eigen huwelijk moet de reden zijn geweest om zich in die wetgeving te verdiepen. Haar verontwaardiging over het huwelijksrecht publiek maken kon niet onder haar eigen naam, omdat ze zelf in de onvrije toestand verkeerde die ze aan de kaak stelde. Deze toestand zou nog tien jaar duren omdat Vernée jarenlang niet aan de echtscheiding wilde meewerken.

Wat Schuitemaker over de wettelijke positie van gehuwde vrouwen schreef was niet geheel onbekend in de socialistische beweging, want Domela Nieuwenhuis had in zijn veelgelezen boek Hoe ons land geregeerd wordt op papier en in werkelijkheid (1885) al een hoofdstuk gewijd aan ‘De wettelijke plaats der vrouw’, waaronder het volgens hem voor vrouwen ‘afschuwelijke’ huwelijksrecht en het ‘onrecht’ van de onontbindbaarheid van het huwelijk. Het is niet ondenkbaar dat juist Schuitemakers situatie hem indertijd hiertoe had geïnspireerd. Haar brochure ging echter verder, want zij besloot die met de tot dan in Nederland ongehoorde oproep aan alle vrouwen zich te verenigen om hun uitsluiting van het kiesrecht ongedaan te maken. Die uitsluiting was pas in 1887 in de grondwet verankerd, en wel (maar dat schreef ze er niet bij) zonder protest van socialistische kant. Brisant was haar verwerping van het in die kring steevast gemaakte onderscheid tussen ‘dames’ en ‘arbeidersvrouwen’. Volgens haar hadden alle vrouwen, ongeacht hun stand, er belang bij om het kiesrecht te krijgen teneinde alle jegens hen onrechtvaardige wetgeving te veranderen. Ondanks de verklaring aan het begin dat de schrijfster weliswaar niet was aangesloten bij de partij, maar het wel geheel eens was met wat zij de ‘beginselen der sociaal-democratie’ noemde, vormde de brochure zo een breuk met de aldaar bestaande praktijk. De beweging kende namelijk wel sociaaldemocratische vrouwenverenigingen, maar die hadden als doel vrouwen bij de socialistische zaak te betrekken, niet hen voor hun eigen rechten te laten opkomen. Toen in datzelfde jaar 1888 de Amsterdamse vrouwenvereniging Door Vereeniging Verbetering (DVV) zich toch in die richting ontwikkelde, werd ze prompt door de lokale SDB-afdeling opgeheven. In Den Haag lijkt Schuitemaker zelf een jaar later nog tevergeefs te hebben geprobeerd om, buiten de plaatselijke vrouwenvereniging om, socialistische vrouwen te interesseren voor haar feministische streven.

Begin 1890 bleek Schuitemaker verstrikt te zijn geraakt in het tot uitbarsting gekomen conflict tussen Croll en Domela Nieuwenhuis, een wirwar van persoonlijke, organisatorische en politieke kwesties. Schuitemaker kwam daarin aan de kant van Croll, en daarmee tegenover Domela Nieuwenhuis te staan. De schaarse overgeleverde bronnen maken geen precieze reconstructie van alle verwikkelingen mogelijk, maar de uitkomst is wél duidelijk. In juni 1890 was Domela Nieuwenhuis niet alleen Croll kwijt, de tweede man in de beweging en zijn steun en toeverlaat daar, maar door het vertrek van ‘tante Piet’ Schuitemaker ook zijn huishoudster. Zij zal in het conflict de kant van haar dochter hebben gekozen. Die verhuisde in september met haar twee dochters, toen 16 en 14 jaar oud, naar Genève. Afgaande op Schuitemakers volgende publicaties moet dit voor haar meteen ook het definitieve afscheid van de sociaaldemocratie zijn geweest. In haar nieuwe woonplaats, waar haar dochters hun opleiding vervolgden (vermoedelijk betaalde hun vader alimentatie en misschien had Schuitemaker ook nog geld uit een erfenis), verdiepte zij zich verder in het vrouwenvraagstuk

Allereerst publiceerde ze bij de Friese uitgever Hessel Poutsma (onder haar pseudoniem Johanna) de doorwrochte brochure Het recht der vrouw (1892), een pleidooi om vrouwenkiesrecht niet ondergeschikt te maken aan het streven naar algemeen mannenkiesrecht. De tekst was oorspronkelijk bedoeld als artikel voor het progressief-liberale tijdschrift Vragen des Tijds maar door de redactie geweigerd. De socialistische bewering dat het na de invoering van algemeen mannenkiesrecht vanzelf goed zou komen met de vrouwenrechten, ondergroef Schuitemaker met het voorbeeld van zowel Frankrijk als Zwitserland. Daar had een grote meerderheid van de mannen al geruime tijd kiesrecht, maar verbeteringen in de wettelijke positie van vrouwen had dat niet gebracht. Ze vervolgde met een kritische analyse van de voorstellen die de Staatscommissie van 1880 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek had gedaan en die al zes jaar lagen te verstoffen. De enige remedie was volgens haar ook vrouwen het kiesrecht te geven. Daarnaast wees ze op het belang van economische zelfstandigheid van vrouwen, te bereiken door gelijkheid van opvoeding en onderwijs voor meisjes en jongens, waarmee de verhouding tussen man en vrouw er een van gelijken zou worden en de heersende geringschatting van vrouwen zou verdwijnen. Ze wierp op dat het kon helpen dat Nederland sinds 1890 een vrouwelijk staatshoofd had, want: ‘Als de vrouw hoog genoeg staat voor koningin dan staat zij ook hoog genoeg voor burgeres.’ Het was een zin die vrouwenkiesrechtstrijdsters haar nog vaak zouden nazeggen. In de jaren nadat Schuitemaker in haar eerste brochure had opgeroepen tot een beweging voor vrouwenkiesrecht, waren de eerste stappen in die richting gezet. Voorop liepen Wilhelmina Drucker en Dora Schook-Haver, twee prominente leden van de Vrije Vrouwenvereeniging (VVV), die eind 1889 was ontstaan uit onvrede over de opheffing van de Amsterdamse sociaaldemocratische vrouwenvereniging DVV. Schuitemakers Het recht der vrouw verscheen op tijd om te worden verkocht tijdens de manifestatie voor algemeen kiesrecht in september 1892 in Den Haag, waar Schook-Haver namens de VVV optrad met een pleidooi voor een algemeen kiesrecht dat vrouwen niet zou uitsluiten. Ruim een half jaar later lanceerden enkele VVV-leden het plan voor een afzonderlijke vereniging voor vrouwenkiesrecht.

Inmiddels waren Drucker en Schook-Haver het weekblad Evolutie begonnen. Daarin stond ‘Johanna, schrijfster van het Recht der Vrouw, Genève’, vanaf het eerste proefnummer van 8 maart 1893 onder de medewerkers vermeld. Twee maanden later verscheen haar eerste bijdrage, over de vrouwenbeweging in Zwitserland. De titel ‘Zwitsersche brieven’ suggereerde het begin van een serie, maar die kwam er niet, want enkele maanden later verhuisde Schuitemaker terug naar Nederland om samen met haar moeder in Bussum te gaan wonen. Haar dochters kwamen niet mee. De oudste, Cathérine, studeerde op dat moment geneeskunde in Genève en zou in 1900 te Zürich het apothekersexamen afleggen. Nellie, de jongste, kwam twee jaar later uit Brussel naar Nederland terug en koos voor een zangstudie. Gelijke onderwijsmogelijkheden voor meisjes en jongens was ook het thema van twee van Schuitemakers volgende artikelen in Evolutie. Daarin putte ze onder meer uit haar observatie van Poolse en Russische studentes in Genève, die volgens haar lieten zien wat vrouwen konden als ze wilden en de kans kregen. Het was de plicht van moeders hun dochters aan te moedigen om iets te willen worden, en tot serieuze studie: ‘Wat zij gevoelt dat aan haar opvoeding heeft ontbroken, moet zij trachten haar dochters te geven, anders komen we nooit verder.’ Onmiskenbaar bracht Schuitemaker dit zelf in praktijk. Ook schreef ze dat vrouwen door het goede voorbeeld te durven geven de tegenstand, bespotting en belediging moesten overwinnen die, ondanks alle vooruitgang van de laatste jaren, nog steeds van vele kanten kwam, ‘zelfs van de zich noemende “wetenschappelijke” socialisten’. De laatste bijdragen van Johanna aan Evolutie, in 1894, gingen opnieuw over vrouwenkiesrecht. Het zijn haar laatst bekende publicaties en die vormen tevens het einde van de periode waarin ze sporen heeft nagelaten. Hoewel inmiddels terug in Nederland, lijkt ze niet actief te zijn geworden in de vrouwenbeweging, ook niet toen ze in 1897, na het overlijden van haar moeder, met haar dochter Nellie terugkeerde van Bussum naar Den Haag en haar huwelijk met Vernée, die een nieuwe vrouw had gevonden, eindelijk was ontbonden. Na een verblijf in Frankfurt am Main met Nellie, die daar enige tijd zang studeerde bij de gerenommeerde zangpedagoog Julius Stockhausen, vestigde ze zich in 1903 in Utrecht. Daar overleed ze in 1919 op 68-jarige leeftijd, decennia nadat ze enkele baanbrekende publicaties had bijgedragen aan de Nederlandse vrouwenbeweging.

Publicaties: 

Een oproeping aan de vrouwen (Den Haag 1888); ‘Het kiesrecht der vrouw’ in: Recht voor Allen, 13.6.1888; Het recht der vrouw (Sneek 1892); ‘Zwitsersche brieven’ in: Evolutie, jrg. 1, nr. 5, 3.5.1893, 3 en 2; ‘De invloed van de ontwikkeling der vrouw op het huisgezin, I-III’ in: Evolutie, jrg. 1, nr. 25, 20.9.1893, 5, nr. 26, 27.9.1893, 2-3 en nr. 28, 11.10.1893, 5-6; ‘Meisjes Gymnasia’ in: Evolutie, jrg. 1, nr. 35, 29.11.1893, 6-7; ‘De Vrouwen en het ontwerp-Tak’ in: Evolutie, jrg. 1, nr. 52, 29.3.1894, 5-6; ‘De Heer de Koo en het Vrouwenkiesrecht’ in: Evolutie, jrg. 2, 1894-1895, 243-245.

Literatuur: 

J. Charité, De Sociaal-Democratische Bond als orde- en gezagsprobleem voor de overheid (1880-1888) (Den Haag 1972); J.M. Welcker, Heren en arbeiders in de vroege Nederlandse arbeidersbeweging 1870-1914 (Amsterdam 1978) 400; F. Dieteren en I. Peeterman, Vrije vrouwen of werkmansvrouwen? Vrouwen in de Sociaal-Democratische Bond (1879-1894) (Utrecht 1984); M. Everard, ‘Het burgerlijk feminisme van de eerste golf: Annette Versluys-Poelman en haar kring’ in: De eerste feministische golf. Zesde jaarboek voor vrouwengeschiedenis (Nijmegen 1985) 106-137; J. Meyers, Domela. Een hemel op aarde. Leven en streven van Ferdinand Domela Nieuwenhuis (Amsterdam 1993); M. Braun, De prijs van de liefde. De eerste feministische golf, het huwelijksrecht en de vaderlandse geschiedenis (Amsterdam 1994); B. Altena (red.), ‘En al beschouwen alle broeders mij als den verloren broeder’. De familiecorrespondentie van en over Ferdinand Domela Nieuwenhuis, 1846-1932 (Amsterdam 1997); M. Braun, ‘“Die groote, machtige vereeniging “vrouw”’. De Vrije Vrouwenvereeniging: van civil society naar public sphere’ in: De Negentiende Eeuw, jrg. 33, nr. 4, 2009, 193-212; J.W. Stutje, Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Een romantische revolutionair (Antwerpen 2012); U. Jansz, ‘Dameskiesrecht en herenkiesrecht. De beweging voor algemeen kiesrecht tegenover vrouwenkiesrecht, 1890-1893’ in: Historica, jrg. 42, nr. 2, 2019, 24-30; U. Jansz, ‘En eindelyk: waarom kiezen de vrouwen niet mee?’ in: Jaarboek Multatuli 2020 (Hilversum 2020) 79-80.

Portret: 

Titelpagina brochure Het recht der vrouw (Sneek 1892).

Handtekening: 

Huwelijksakte van Giacometti/Vernée d.d. 1 oktober 1903. Arch. 463 reg. 519-03, akte 641; akteplaats Utrecht, als moeder van de bruid.

Auteur: 
Ulla Jansz
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA online (2021)