REENS, Abraham Mozes

Abraham Mozes Reens

(roepnaam: Bram), propagandist van het revolutionair-socialisme en anarchisme, is geboren te Hoorn op 16 september 1870 en overleden te Amsterdam op 6 september 1930. Hij was de zoon van Mozes Isaac Reens, inlands kramer en later winkelier, en Saartje Bosman. Op 5 juli 1894 trad hij in het huwelijk met Geertje Veenstra. Dit huwelijk bleef kinderloos.
Pseudoniem: Otto van Meurs.

Begin 1887 kwam Reens - zestien jaar oud - naar Amsterdam, waar hij het vak van diamantkloven leerde. Omstreeks 1890 trad hij toe tot de Sociaal-Democratische Bond (SDB) en waarschijnlijk werd hij in diezelfde tijd ook vrijdenker. Samen met Willem Speelman richtte hij in oktober 1892 de propaganda-club 't Centrum op, die zich toelegde op de verspreiding van socialistische ideeën onder het op dat moment nog uiterst gezagsgetrouwe Amsterdams-joodse proletariaat. Reens vestigde de aandacht op zich door samen met zijn jonge clubgenoten op ludieke wijze wereldlijke en joods-kerkelijke gezagsdragers te prikkelen en te provoceren. Deze aanpak leverde in eerste instantie meer resultaat op dan de wat rustiger werkwijze van joodse socialisten als H. Polak, A.S. de Levita en J. Loopuit. In zijn café Voorwaarts in de Nieuwstraat bij de Amsterdamse Nieuwendijk - inmiddels was hij caféhouder geworden - beraamde Reens allerlei geruchtmakende acties, zoals de begroeting van beide koninginnen bij hun intocht in Amsterdam (1895) met een tumult door honderden geestverwanten gelijktijdig op speelgoedfluitjes voortgebracht. In maart 1893 nam Reens samen met Speelman de uitgave ter hand van een 'socialistisch orgaan voor de Israelieten', genaamd Ons Blad. De voortdurende schimpscheuten van Centrumleden, onder meer in dit blad, op het christelijk vorstenhuis en de joodse orthodoxie vormden voor opperrabbijn dr. H.J. Dünner aanleiding om in een leerrede in april 1893 het optreden van de joodse socialisten streng te veroordelen. Gesterkt door dit geestelijke appèl verbond zich hierna het joodse 'volk' onder aanvoering van Reens' neef Simon Reens in een joodse Bond van Oranje. Deze knokploeg trachtte met lichamelijk geweld de verspreiding van Ons Blad in de Jodenbuurt te verhinderen.

Door de strijd - eerst binnen en later buiten de SDB - tussen revolutionairen en parlementairen verminderde in de loop van 1894 bij socialistische joden allengs de animo voor 't Centrum. Reens, die lid bleef van de oude Bond (later Socialistenbond genaamd), zat echter allerminst bij de revolutionaire pakken neer. Hij was de gangmaker van het georganiseerd verhinderen van gerechtelijke verkopingen wegens belastingschuld. Bij openbare verkopingen van verbeurd verklaard huisraad van partijgenoten ging Reens nu in gezelschap van talrijke geestverwanten eventuele kopers zodanig intimideren, dat hij zelf het geheel voor een habbekrats kon kopen en vervolgens aan de oorspronkelijke niet meer zo rechtmatige eigenaar retourneren. Deze acties hadden zo'n succes dat Reens in augustus 1894 besloot een anti-belastingvereniging op te richten met een eigen orgaan genaamd De Opstand. Toen de justitie aan deze activiteiten paal en perk stelde, door Reens' eigen inboedel bij opbod te verkopen, werd De Opstand achtereenvolgens een Socialistisch Weekblad voor Noord-Holland en Orgaan gewijd aan de belangen van de verdrukten en miskenden. Als trouw volgeling van F. Domela Nieuwenhuis, die bij zijn huwelijk getuige was geweest, verliet ook Reens in 1897 de Socialistenbond en werd vrij socialist. Tijdens een tweejarig verblijf in Londen (1898-1899), waar hij het hoofd alleen boven water kon houden doordat zijn vrouw commensaals in huis nam, werkte hij als correspondent mee aan Nieuwenhuis' Vrije Socialist. Reens' 'Londensche brieven' in dit blad zijn - evenals de ongepubliceerde brieven aan Domela Nieuwenhuis - zeer lezenswaardig door de onbewimpelde wijze waarop hij zijn gedachten onder woorden brengt.

Na zijn terugkeer in Nederland vatte Reens zijn oude beroep van caféhouder weer op. Enige jaren trad hij toen op als voorzitter van Gemeenschappelijk Grondbezit (GGB). In 1903 het jaar van de spoorwegstakingen legde hij deze functie neer omdat zijn medebestuurders zich verzetten tegen afvaardiging van GGB in het Comité van Verweer. Reens zelf was nauw betrokken bij de voorbereiding van de aprilstaking, onder meer als adviseur (samen met Domela Nieuwenhuis) van de anarchistische afgevaardigde in het Comité van Verweer, G. Rijnders. Na de mislukking van de April-staking schreef Reens de brochure Een volksverrader (Mr. P.J. Troelstra), waarin hij deze niet van opzettelijk verraad maar wel van onstandvastigheid betichtte. Bijzonder actief was Reens na de aprilstaking in het Landelijk Comité tot ondersteuning van de slachtoffers der algemeene werkstaking. In 1904 won hij Frederik van Eeden, medelid in het Comité, voor het idee de vaste steunbedragen van contribuanten als werkkapitaal te gebruiken voor een verbruikscoöperatie. Deze coöperatie, genaamd De Eendracht, wilde werk verschaffen aan slachtoffers van de aprilstaking en bovendien minvermogenden in staat stellen op een gemakkelijke wijze volgens een door Reens uitgedokterd bonnensysteem wat extra huisraad aan te schaffen. Door de onverwacht snelle toename van het aantal contribuanten van De Eendracht, groeide de organisatie Reens boven het hoofd. Hij trok zich er uit terug en verklaarde tegenover Van Eeden dat alleen een Napoleon een dergelijke zaak kon runnen. Van Eeden, die het grootste deel van zijn vermogen er bij inschoot, nam Reens dit alles niet in dank af. In Happy humanity (New York 1912) noemde hij Reens dan ook 'a shrewd, funny Jew'.

Door zelfstudie en contact met de socioloog S.R. Steinmetz raakte Reens al vóór 1914 onder invloed van sociaal-darwinistische ideeën. In 1915 schreef hij in de brochure Ik beweer... (de levenservaring van een Rebel) (met een voorwoord van Steinmetz) dat duurzame vrede en sociale gelijkheid wel mooi waren, maar strijdig met de menselijke natuur en daarom niet te realiseren. Reens' afscheid van het socialisme weerhield hem niet om in 1914 samen met P. Boorsma een fonds in het leven te roepen om Domela Nieuwenhuis een in financieel opzicht onbekommerde oude dag te bezorgen. In 1905 publiceerde Reens onder de titel Ghetto-ghijntjes, Amsterdamsche schetsen een aantal sappig geschreven genrestukjes zonder literaire pretentie. Als bron voor het leven van Amsterdamse joodse proletariërs zijn zij echter zeer waardevol.

Publicaties: 

'n Nieuwe kruissprook (Amsterdam 1902).

Literatuur: 

F. van Eeden, Happy humanity (New York 1912), hoofdstuk 6 'The great strike'; Vliegen, Dageraad II, 397-398; S. Bloemgarten, 'Abraham Mozes Reens: een vergeten rebel' in: Levend Joods Geloof, augustus 1975, 29-30, september, 7-8; oktober, 11-13; S. Bloemgarten, 'De vlegeljaren van de amsterdamse joodse socialisten: 1890-1894' in: 78e Jaarboek van het Genootschap Amstelodamum, 1986, 135- 176; S. Bloemgarten, Henri Polak. Sociaal democraat 1868-1943 (Den Haag 1993); J. Houkes, 'Willem Meng en zijn verenigingen 'Het Vrije Woord' en 'Wie denkt Overwint' in: BNA nr. 37, maart 1995, 19-40; D. Bos, Waarachtige volksvrienden. De vroege socialistische beweging in Amsterdam 1848-1894 (Amsterdam 2001).

Portret: 

A.M. Reens, 1923, Streekarchief Gooi en Vechtstreek te Hilversum (Gooienvechthistorisch.nl).

Handtekening: 

Huwelijksakte van Reens/Feenstra dd. 05 juli 1894. Reg. 18 fol 12v, akte 1574, akteplaats Amsterdam. Als bruidegom.

Auteur: 
Salvador Bloemgarten
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 3 (1988), p. 173-175
Laatst gewijzigd: 

25-06-2018 (beroep vader, achternamen moeder en echtgenote gecorrigeerd, vermelding Domela als huwelijksgetuige toegevoegd)