OTTENS, Jacques Jeichienus

J.J. Ottens

sociaaldemocratisch beeldend kunstenaar en uitgever, is geboren te Bellingwolde op 14 oktober 1895 en overleden te Bellingwolde op 22 november 1930. Hij was de zoon van Hendrik Ottens, molenaarsknecht en koopman, en Sophia Sachs. Op 24 april 1924 trad hij in het huwelijk met Margarethe Martha Hüfler, verpleegkundige, met wie hij een dochter en een zoon kreeg.

Over de jeugd van Ottens is bekend dat hij puzzelde en postzegels verzamelde. Hij groeide op in een socialistisch gezin. Zijn vader had een manufacturenzaak. Zijn moeder stamde uit de kleine Vlagtwedder joodse gemeenschap. Ottens bezocht vanaf 1910 de Rijksnormaalschool te Winschoten. In mei 1914 behaalde hij zijn onderwijzersdiploma en de Lager Onderwijs Akte handtekenen. Ottens vervolgde zijn opleiding aan de Haagse Academie voor Beeldende Kunsten, die bekend stond om zijn uitstekende middelbaar onderwijs-opleiding tekenen, zodat het behalen van die akte Ottens een inkomen kon bezorgen in het onderwijs. In Den Haag bezocht hij kunsttentoonstellingen, bijvoorbeeld in 1916, met Duitse expressionistische schilders. Zijn hart lag niet bij het onderwijs, omdat hij portretschilder wilde worden. Na het behalen van de Middelbaar Onderwijs Akten schoonschrijven en tekenen in 1919 trok Ottens in bij zijn broer Jan Ottens te Bellingwolde. Deze was wethouder voor de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) en actief voor de Nederlandsche Bond van Arbeiders in het Landbouw-, Tuinbouw- en Zuivelbedrijf (NBvALTZ). Door zijn broer ingeschakeld voor de propaganda voor deze bond tekende Ottens expressionistisch aandoende spotprenten voor het bondsblad Vereenigt U!

Ottens, zelf SDAP-lid, werd gegrepen door de revolutionaire geest in Europa die ook door Nederlandse kunstenaars enthousiast omarmd werd. Hij bewonderde de Duitse Novemberrevolutie van 1918. Een paar kilometer van zijn woonplaats was de radenrepubliek Ostfriesland-Oldenburg opgericht en er ging het gerucht dat gewapende Spartakisten op weg waren naar Bellingwolde. De veldwachter meldde de Centrale Inlichtingen Dienst over Ottens: ‘Jacques helt over tot het Communisme en is beslist revolutionair-gezind’. Ottens hield van het politiek betrokken werk van de Duitse kunstenaarsvereniging ‘Novembergruppe’, die onder het credo ‘kunst aan het volk’ naar internationale verbinding van kunst, socialisme en arbeiders streefde. Beroemde leden als de schilder Max Pechstein en de beeldhouwer Rudolf Belling (die een borstbeeld van Pieter Jelles Troelstra zou maken) steunden met hun toegepaste kunst de regering van de Sozialdemokratische Partei Deutschlands (SPD) en de Unabhängige Sozialdemokratische Partei Deutschlands (USPD). Ottens exposeerde in januari 1920 in Winschoten. De Winschoter Courant bewonderde zijn portret van een landarbeider, ‘den stoeren 85-jarigen Bellingwolder Harm Dontje’. Ottens vertelde de krant veel in Drenthe te schilderen. Vanaf maart 1920 woonde hij in Amsterdam, waar hij in 1921 in het Stedelijk Museum het werk van de Novembergruppe zag. Zelf maakte hij toen schetsen van variétéartiesten in het Rozentheater aan de Rozengracht. 

Ottens maakte naast schilderijen ook houtsneden, zoals een kop van Johannes de Doper, die in 1922 verscheen als gesigneerde bijlage bij het tijdschrift Opgang van de Arbeiders Jeugd Centrale. Het Volk was enthousiast over de jonge ‘partijgenoot-schilder’. ‘Het is een zeer mooi werk, expressief en eenvoudig, groot en krachtig van vlakverdeeling, een merkwaardig juist begrip tonend van wat een houtsnede zijn moet en hoe het materiaal moet worden aangewend’. Het Rijksmuseum bezit uit deze tijd de houtsnede ‘Badende vrouw’ en het schilderij ‘Huisjes in Den Haag’ (gedateerd december 1922). Ottens verruilde Amsterdam voor Berlijn, een voor jonge socialistische kunstenaars zeer aansprekend internationaal cultureel centrum om een bestaan als beeldend kunstenaar op te bouwen. Door de toen ongekend hoge inflatie kon hij de eerste tijd van enkele guldens voldoende rondkomen. Nadat de hyperinflatie was overwonnen leefde hij in armoede, zo klaagde hij in brieven aan familie. Maar hij genoot volop van het bruisende culturele leven en de vele gekostumeerde feesten en muziekvoorstellingen die de Novembergruppe en andere kunstenaarsverenigingen organiseerden. Socialistische kunstenaars als Peter Alma en César Domela Nieuwenhuis exposeerden op tentoonstellingen van de Novembergruppe, maar van Ottens is dit niet bekend. Hij leerde in dit linkse milieu zijn aanstaande vrouw kennen en in het Romanisches Café zijn provinciegenoot, de journalist Nico Rost. Ottens illustreerde werk van de joodse schrijver Salomon Dembitzer, journalist voor de Vorwärts en Het Volk, zoals diens in het Jiddisch geschreven Farklungene tsayten (1924) en herinneringen aan Nederland.

Ottens werkte vanuit Berlijn voor de Nederlandse sociaaldemocratische beweging. Zijn tekeningen verschenen in 1923 in De Notenkraker, waar hij behoorde tot de generatie van Tjerk Bottema, Albert Funke Küpper, Albert Hahn Jr., Henk Melgers en George van Raemdonck. Ook De Fabrieksarbeider van de Nederlandsche Vereeniging van Fabrieksarbeiders (NVvFA) plaatste zijn werk. Ottens maakte voor deze bond ook affiches, met de bekende socialistische symbolen van de grote krachtige arbeider met gebalde vuist en de rode vlag. Met zijn werk voor bladen met een hoge oplage, zoals De FabrieksarbeiderDe Strijd, het orgaan van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV), en Vereenigt U! bereikte Ottens veel arbeiders. Hij wilde dat ook met zijn vrije werk tot stand brengen en maakte linoleum- en houtsneden die grote oplagen mogelijk maakten. Zo sneed hij in 1923 een kop van Karl Marx, die hij in een oplage van honderd voor anderhalve gulden te koop aanbood via SDAP-uitgeverij Ontwikkeling. ‘Een poging om voor den kunstenaar een afzetgebied te openen, dat hem niet langer afhankelijk houden zal van de dikgespekte beurzen van een kleine groep bevoorrechten, die de kunst beschouwen als iets, speciaal uitgedacht voor hun verfijnden behoeften’, oordeelde Het Volk. De Marx-kop oogstte waardering omdat hij de afdruk in rood, zwart en wit uitvoerde. Ottens sneed verder een portret van de toneelspeler Louis Bouwmeester, als Shylock, en een portret in twee versies van de Amsterdamse wethouder Floor Wibaut. Daarnaast maakte hij spotprenten over de Twentse textielstaking uit 1923 die in veel vakbondsperiodieken verschenen. Ottens maakte voor de NVvFA de plaat ‘Kameraden! De wolven der reactie loeren’, waarop een reusachtige fabrieksarbeider, gewapend met een knuppel zich de wolven van het kapitalisme van het lijf houdt. Tevens maakte hij voor die vakbond een affiche over de socialisatieplannen van de SDAP, die ook op prentbriefkaartformaat werd uitgegeven. Voor de NBvALTZ verzorgde hij brochures en het gedenkboekje van het 25-jarig bestaan. Het blad De Reclame vergeleek Ottens werk met dat van Albert Hahn Jr. ‘Alleen door de onderteekening zijn deze prenten van die van Hahn Jr. te onderkennen. Wel zijn zij zwakker van uitvoering, maar een prent als “de stormram” mag er zijn’.

Ottens werkte een enkele maal voor Het Volk en Voorwaarts. Op 26 maart 1924 verscheen in Het Volk zijn tekening waarop minister van financiën Hendrik Colijn, afgebeeld als monster, kinderen toegang tot het openbaar onderwijs verspert. De Houten Pomp, het spotblad van de Anti-Revolutionaire Partij sprak afkeurend van ‘Colijn-haat’. Voor de gemeenteraadsverkiezingen van dat jaar maakte Ottens voor de SDAP een verkiezingsaffiche, dat volgens de partij goed aansloeg. Hij maakte voor de Duitse SPD een affiche voor de Reichstagverkiezingen, waarop de ‘Rentenmark’ stond die, dankzij de SPD, de hyperinflatie had beëindigd. Hij tekende ook een verkiezingsaffiche voor de Argentijnse Partido Socialista. In 1925 leverde Ottens voor de SDAP een verkiezingsaffiche en een affiche waarop een arbeider wijst naar de dageraad (de SDAP) met de uitroep: ‘In dit teeken zult gij overwinnen’. Voor de financiering van het Troelstra-oord sneed Ottens in 1926 een portret van Troelstra in een oplage van honderd. Het portret kwam ook op de steunzegels die verkocht werden om het noodzakelijke kapitaal voor de bouw van het Troelstra-oord bijeen te brengen. Daarnaast sneed hij een portret van Henri van Kol

Ottens woonde na zijn huwelijk in het tuindorp Berlin-Frohnau, een ‘Gesamtkonzept’ in Jugendstil, waar veel kunstenaars, linkse intellectuelen en wereldverbeteraars woonden. Hij noemde zich nog steeds kunstschilder, maar maakte als socialistisch kunstenaar vooral grafiek. In zijn werk overheerst het figuratieve, waarmee hij aansloot bij de opvatting binnen de SDAP dat socialistische kunst voor arbeiders begrijpelijk en daardoor acceptabel moest zijn. Vanaf 1926 tekende hij weer voor De Notenkraker, die na een moeilijke periode vergroot en in kleur verscheen. Hij leverde vooral Duitse onderwerpen, zoals president Hindenburg op vakantie, maar ook een rechter getooid met een hakenkruis. Want de opkomst van het nationaalsocialisme ontging hem niet. Ottens begon in 1927, met steun van de SPD en de Novembergruppe, de uitgeverij J.J. Ottens-Verlag, een sociaaldemocratisch alternatief voor de communistische Künstlerhilfe van de Internationale Arbeidershulp en het Malik-Verlag. Het fonds bestond uit kunstboeken, tijdschriften en grafiek. Ottens gaf (in kleine oplage) tal van monografieën uit van bekende kunstenaars, soms met originele en gesigneerde afdrukken van grafiek. Hij was geïnteresseerd in Oost-Europese Jiddische kunst en kinderboeken en publiceerde een biografie van Hugo Haase, politicus van de SPD. Het J.J. Ottens-Verlag functioneerde als uitgeverij van de vereniging Künstler-Selbsthilfe, een coöperatie van kunstenaars die goede en sociaalkritische kunst aan een Kreis der Freunde der Künstler-Selbsthilfe wilde verkopen, waarvan de opbrengst ten goede kwam aan alle leden-kunstenaars. De vereniging kende een aanbevelingscomité met onder anderen de kunsthandelaar Alfred Flechtheim, Max Liebermann en Thomas Mann. Ottens onderhield als redacteur-uitgever van het bij de Künstler-Selbshilfe behorende tijdschrift Die Künstler Sebsthilfe, Zeitschrift für Kunst und Literatur contact met dat comité. Hij versierde het eerste tijdschriftnummer met een eigen houtsnede en schreef: ‘Künstlerschaft und Arbeiterschaft darf keine Gegenüberstellung, keine Zweiheit, sondern soll eine Einheit: das schaffende Volk sein, einig in seinem Kampf für eine bessere und schönere Zukunft’. In het tijdschrift publiceerden, naast Pechstein, de schrijvers Heinrich Mann en Arnold Zweig. De uitgeverij bracht grafisch werk van grote kunstenaars in portfolio uit, waaronder, in een oplage van honderd, lithografieën van Käthe Kollwitz en etsen van Pechstein. Hijzelf maakte een houtsnede van de Duitse sociaaldemocraat Eduard Bernstein, die een aantal exemplaren signeerde en die via Het Volk in Nederland te koop waren.

Ottens leed aan tuberculose en kuurde in 1927 in Bellingwolde. Hij maakte toen voor De Notenkraker een spotprent waarin de veldwachter en zijn gezin tijdens Koninginnedag portretten van de koninklijke familie in de optocht meedroegen. Ottens had een hekel aan de veldwachter die zijn broer dwars zat, omdat die op koninklijke verjaardagen de vlag op het gemeentehuis niet hees. Het J.J. Ottens-Verlag zette in 1928 de Künstler Selbsthilfe om in het maandblad Kunst der Zeit. Het beroemde driedubbele Sonderheft Zehn Jahre Novembergruppe (1928) redigeerde Ottens samen met de kunstcriticus Will Grohmann. Deze veel geciteerde uitgave bevat een overzicht van het werk van tien jaar Novembergruppe op het gebied van schilderkunst, muziek, film, toegepaste kunst en architectuur. Ottens zocht na een jaar samenwerking met de Allgemeine Deutsche Gewerkschaftsbund (ADGB) om het blad en de Künstler-Selbsthilfe te kunnen voortzetten. Als voorzitter van de laatste deed hij het voorstel dat de leden hun werk ook verkochten aan ADGB-leden. De aangesloten bonden betaalden een klein bedrag per lid. Tegen een kleine financiële vergoeding kregen leden daarmee een abonnement op Kunst der Zeit, gratis toegang tot tentoonstellingen en lezingen en zij ontvingen elk jaar een gesigneerde litho. Verschillende bladen van de ADGB, evenals Vorwärts reageerden enthousiast en Kunst der Zeit kon verder. Bekende kunstcritici als Adolf Behne en Paul F. Schmidt, verbonden aan Vorwärts en Sozialistische Monatshefte, gaven het blad een sterk sociaaldemocratische strekking. Ottens gaf vanaf 1929 het in verschillende talen gedrukte blad Porza van de internationale kunstenaarsvereniging Porza uit, waaraan auteurs als Theo van Doesburg, de neven Erich en Paul Mühsam, Rost en Joseph Roth meewerkten. Deze vereniging was sterk verwant aan de Novembergruppe en vernoemd naar het Zwitserse kunstenaarsdorp Porza, niet ver van Lugano. Porza keerde zich tegen nationalisme en fascisme, had een socialistische inslag en wilde de internationale broederschap tussen kunstenaars en intellectuelen versterken. De vereniging exploiteerde in heel Europa vakantiehuizen voor kunstenaars, bijvoorbeeld in Bergen, Noord-Holland, gaf hen te eten en organiseerde tentoonstellingen. Dat Ottens interessante boeken uitgaf, drong weinig door in Nederland. Een enkele keer bereikten zijn uitgaven De Socialistische Gids. Ottens hield Nederland wel in de gaten. Kunst der Zeit liet ‘architect der SDAP’ Jan Buijs schrijven over diens gebouw van de Haagse socialistische coöperatie De Volharding, ontworpen in de geest van de Nieuwe Zakelijkheid. Beeldhouwer Belling maakte in het trappenhuis een bronzen reliëf met een vers van Henriette Roland Holst, dat symbool stond voor de coöperatieve gedachte.

Het laatste nummer van Kunst der Zeit, waaraan ook Rost meewerkte, verscheen in september 1930, met bokser Max Schmeling op het omslag en met werk van de jonge schilder Felix Nussbaum. Een oproep in Vorwärts zich te abonneren kwam voor Ottens zelf te laat. Hij kon door zijn ziekte niet meer werken. Steeds had hij zich ingespannen om een goede relatie op te bouwen tussen kunstenaars en de arbeidende klasse en hij was trots dat hij werk van George Grosz, Kollwitz en Frans Masereel onder hun ogen had gebracht. Ottens vertrok in 1930 met zijn gezin vanuit Frohnau naar Bellingwolde. Daar stierf hij in stilte, vergeten door SDAP en NVV. Twee jaar later pas herdacht Het Volk hem bij de uitgave van zijn houtsnede ‘Moeder en kind’ door De Arbeiderspers. ‘Kort gelegen stierf hij – nog jong, naar het leek aan het begin van den opgang zijns leven’. De weduwe had A.M. de Jong van De Notenkraker en J.F. Ankersmit van Het Volk benaderd voor steun. In De Notenkraker verscheen ter nagedachtenis Ottens’ houtsnede van Bernstein, waarvan enkele door Bernstein gesigneerde exemplaren nog te koop waren. 

Na de machtsovername door de Duitse nationaalsocialisten in 1933 werden uitgaven van het J.J. Ottens-Verlag als ‘Entartete Kunst’ in beslag genomen en vluchtten sommige medewerkers naar de Verenigde Staten om daar een tweede, vaak succesvolle carrière te beginnen. Wie bleef liep het gevaar als jood te worden vermoord en als verboden kunstenaar in de vergetelheid te raken. Ottens’ uitgaven, nu collectors items, zijn dan ook te vinden in de Lost Art Database van door de Nazi’s in beslaggenomen kunstvoorwerpen. Martha Ottens-Hüfler bleef met haar kinderen veiligheidshalve in Nederland. Tijdens de bezetting verborg ze joodse onderduikers in haar huis. In 1957 emigreerde zij korte tijd naar Australië.

Archief: 

Archief J.J. Ottens in familiebezit (Laaksum). Het IISG in Amsterdam bezit werk van Ottens.

Publicaties: 

Omslag en illustraties in: De geschiedenis van een landarbeider, Propagandageschrift van den Nederlandschen Bond van Arbeiders in het Landbouw, Tuinbouw- en Zuivelbedrijf (Utrecht 1924); S. Dembitzer, Farklungene tsayten. Mit tsvey federtseykhnungen fun Ottens (Berlijn 1924); S. Dembitzer, Holländische Erde (Leipzig 1924).

Literatuur: 

Winschoter Courant, 31.1.1920; De Fabrieksarbeider, 16.6.1923; Mr. Punch (A. Pleysier), ‘Over onze verkiezingsplaten’, in: Voorwaarts, 14.3.1925; W. Meijer, ‘Verkiezings-reclameplaten’, in: De Reclame, augustus 1925; ‘Arbeiter und die Kunst’, in: Vorwärts, 21.6.1929; ‘Die Kunst und die Arbeiter’, in: Graphische Presse, Organ der Verbandes der Lithographen, Steindrücker und verwandte Berufe, 9.8.1929; J. Rot, ‘De affiches en de prenten in de krant’, in: De Fabrieksarbeider, 4.8.1932; ‘Moeder en kind’, in: Het Volk, 10.2.1932; De Notenkraker, 1.12.1934; J. Hilgenga, 40 jaren Nederlandse Landarbeidersbond, Gedenkboek van de Nederlandse Bond van Arbeiders in het Land-, Tuinbouw- en Zuivelbedrijf 1900-1940 (Utrecht 1940); H. Mulder, ‘De politieke spotprent tussen de beide wereldoorlogen’, in: Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek 1977, Deel 28, 1978, 169-208; Politische Plakate der Weimarer Republik (Darmstadt 1980); Leeuwarder Courant, 31.8.1984; M. van der Heijden, Jan Rot, Leven en werken van een sociaal-democratisch tekenaar (1892-1982) (Amsterdam 1988); Th. Dietzel en H.O. Hügel, Deutsche literarische Zeitschriften 1880-1945 (München 1988); J. de Groot, ‘De Notenkraker’, Korte schets van een ‘politiek-satyriek weekblad’, 1907-1936 (Groningen 2006); M. Kühn-Ludewig, Jiddischer Bücher aus Berlin 1918-1936 (Nümbrecht-Bruch 2006); E. Fischer en S. Füssel, Geschichte des deutschen Buchhandels in 19. und 20. Jahrhundert. Die Weimarer Republik 1918-1933. Teil I (München 2007); P. Hagen, Politicus uit hartstocht, Biografie van Pieter Jelles Troelstra (Amsterdam 2010); K. Pegler, ‘Ein holländischer Revolutionär in Frohnau’, in: Die Gartenstadt, jrg. 67, maart 2018, 4-6; J.M. Spalek (red.), ‘Salamon Dembitzer 1888-1964’ in: Deutschsprachige Exilliteratur zeit 1933. Band 4 (München 2020) 365-373.

Portret: 

J.J. Ottens. Bron: Familie Ottens (Laaksum).

Handtekening: 

Bron: houtsnede in bezit van auteur.

Auteur: 
Jannes Houkes
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA online (2024)
Laatst gewijzigd: 

BWSA online (2024)