
(roepnaam: Saar, ook bekend onder de naam Hegt-van Gelder), vakbondsbestuurster en propagandiste socialistische vrouwenclubs, is geboren te Nieuwer-Amstel op 8 december 1874 en overleden te Zeist op 13 juni 1941. Zij was de dochter van Abraham van Gelder, vleeschhouwer, en Aleida van Raalte. Op 9 juli 1907 trouwde zij met Abraham Harpman, boekhouder en boekhandelsbediende. Dit huwelijk werd ontbonden op 15 oktober 1915. Op 16 maart 1927 hertrouwde zij met Maurits Hegt, handelsbediende. Beide huwelijken bleven kinderloos.
Wat Van Gelder bewoog actief in de arbeidersbeweging te worden is niet bekend, maar in 1901 richtte zij samen met Catharina (Cato) Schönberg een ontwikkelingsclub voor winkeljuffrouwen op. Waarschijnlijk werkte Van Gelder toen als winkelbediende. Ze moet het winkelbedrijf goed hebben gekend, want ze groeide op in een gezin van zes kinderen dat woonde boven de slagerij die haar ouders dreven in de oude Jodenbuurt van Amsterdam. De zaak ontwikkelde zich voorspoedig en werd uitgebreid met een grossierderij in vlees. Van de kinderen bereikten vijf dochters en een zoon de volwassen leeftijd. Verschillende kinderen konden na de lagere school doorleren via cursussen. Van Gelder liet na enige tijd boekhoudster als beroep registreren. Mogelijk had ze een cursus boekhouden gevolgd bij Estella Schönberg, een oudere zuster van Cato en lerares boekhouden, en had zij examen gedaan bij de Nationale Bond van Handels- en Kantoorbedienden.
De oprichting van de ontwikkelingsclub volgde op eerdere pogingen een vakvereniging van winkeljuffrouwen van de grond te krijgen. Toen die waren mislukt begonnen Van Gelder en Schönberg voorzichtiger, met een club waar men met elkaar van gedachten kon wisselen over mogelijke verbetering van de arbeidsomstandigheden, zoals via een vervroegd sluitingsuur van de winkels en een Kamer van Arbeid voor het winkelbedrijf. Ook werden cursussen in de Nederlandse en Franse taal aangeboden. Al na enkele maanden werd de club omgezet in een vakbond, nu voor vrouwen én mannen, maar, voor die tijd ongebruikelijk, nog steeds onder voorzitterschap van een vrouw: Cato Schönberg. De Algemeene Bond voor Winkelbedienden sloot zich in de loop van 1902 aan bij de Algemeene Magazijn- en Winkelbediendenbond in Nederland en werd daarvan de afdeling Amsterdam, met in 1904 ongeveer 200 leden. In de beginfase kregen de oprichtsters advies en steun van de Amsterdamsche Bestuurdersbond (ABB) in de persoon van Samuel Pothuis. In dezelfde tijd werd Van Gelder ook lid van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP). Naast verbetering van de beloning was vooral verkorting van de extreem lange werktijden van winkelbedienden (14 of 15 uur per dag, ’s zaterdags nog langer en vaak zelfs op zondag niet vrij) het centrale actiepunt. De weerstand van behoudzuchtige winkeliers en clientèle tegen deze verandering was sterk. Van Gelder werd namens de Winkelbediendenbond lid van het comité dat in juni 1902 als samenwerkingsverband van verschillende lokale vakverenigingen werd opgericht om actie te voeren voor vervroegde winkelsluiting in Amsterdam (via een wettelijk vastgesteld sluitingsuur). Ze werd tot penningmeester gekozen, een functie die ze in allerlei besturen regelmatig zou vervullen. Vervolgens werd ze een actief lid van de afdeling Amsterdam van de in 1905 opgerichte Algemeene Nederlandsche Bond van Handels- en Kantoorbedienden, de sociaaldemocratische vakbond die vanaf de oprichting in 1906 deel uitmaakte van het moderne Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen (NVV). Zij zat, samen met Maurits Hegt, in de commissie voor geschillen tussen de redacteur van het bondsorgaan en de lezers.
Begin januari 1907 vertrok Van Gelder naar Parijs, vermoedelijk om daar werk te vinden. Daar trouwde zij in juli met Abraham Harpman, een voormalige boekverkopersbediende die zij kende uit de tijd dat ze allebei lid waren van het Amsterdamse comité voor vervroegde winkelsluiting. Hij woonde op dat moment al een paar jaar in Parijs nadat hij door zijn vakbondsactiviteiten in Amsterdam geen werk meer kon krijgen. Als beroep gaf hij ‘leraar in vreemde talen’ op. De vier getuigen bij het huwelijk verkeerden, net als de bruidegom, in kringen van Hollandia, de Nederlandsche Vereeniging van Werklieden en Employés te Parijs, die onder leiding van de Amsterdamse diamantbewerker en componist Andries de Rosa gezellige en leerzame activiteiten voor haar leden organiseerde. Hollandia bemiddelde ook voor werkzoekenden, verleende financiële bijstand en had een ziekenfonds. Een van de getuigen bij het huwelijk was de feministe Mina Kruseman, die al twintig jaar in Parijs woonde. In april 1908 was Van Gelder terug in Amsterdam, maar zonder Harpman. Het huwelijk schijnt slechts vijf maanden te hebben standgehouden. In maart 1909 vertrok ze naar Lille, maar eind juni was ze ook daarvandaan terug. Ze ging bij haar moeder wonen, die al vijftien jaar weduwe was en aanvankelijk nog in de slagerij zal hebben gewerkt die na de vroege dood van haar man door hun zoon was voortgezet. Na enkele jaren had hij echter gezondheidsproblemen gekregen die hem noodzaakten de winkel op te geven en zich op de grossierderij te concentreren. Vanaf die tijd moet het levensonderhoud van de weduwe ook deels de verantwoordelijkheid van haar dochters zijn geworden. Nadat Van Gelder terug was uit Lille lijkt zij, met een korte tussenperiode, steeds bij haar moeder te hebben gewoond. Daaraan kwam pas een eind toen ze op 52-jarige leeftijd met Hegt hertrouwde, waarna twee ongehuwde zusters de dagelijkse zorg voor hun inmiddels 85-jarige moeder (tot haar overlijden in 1930) op zich namen.
Terug in Amsterdam ging Van Gelder bij de SDAP op kantoor werken en was ze weer actief in de handels- en kantoorbediendenbond. Eind 1909 werd ze tweede penningmeester van de afdeling Amsterdam en tot begin 1914 bekleedde ze in dat bestuur verschillende functies. In de jaren daarna trad ze nog op als afgevaardigde van het afdelingsbestuur naar landelijke bondsvergaderingen. In dezelfde periode raakte ze betrokken bij de vrouwenorganisatie van de SDAP, de Bond van Sociaal-Democratische Vrouwenpropagandaclubs. Deze Bond vormde sinds 1908 het samenwerkingsverband van een toenemend aantal lokale clubs van vrouwelijke SDAP-leden, met als doel vrouwen ter plaatse warm te maken voor het socialisme. Het ligt voor de hand dat het contact werd gelegd via Carry Pothuis-Smit, een van de vrouwen van het eerste uur van die organisatie. Zij was rond 1900 betrokken geweest bij de door de sociaaldemocratisch gezinde feministe Henriette van der Meij georganiseerde ontwikkelingsclubs voor Amsterdamse diamantbewerksters en andere arbeidsters, waar ze cursussen Nederlands verzorgde. Mogelijk heeft ze dat ook gedaan bij de ontwikkelingsclub voor winkeljuffrouwen die Van Gelder en Schönberg in 1901 hadden opgericht. Pothuis-Smit was bovendien getrouwd met de secretaris van de ABB, Pothuis.
Van Gelder moet vóór 1912 al hebben laten zien dat ze goed in het openbaar kon spreken, want in dat jaar hoorde ze bij het twintigtal vrouwen dat op 12 mei sprak bij openbare bijeenkomsten door het hele land ter gelegenheid van de Internationale Vrouwendag. Dat initiatief van socialistische vrouwenorganisaties in veertien landen was bedoeld om naast het algemeen mannenkiesrecht ook het algemeen vrouwenkiesrecht op de agenda van sociaaldemocratische organisaties te krijgen. In Nederland werd Internationale Vrouwendag in 1912 voor het eerst georganiseerd door plaatselijke sociaaldemocratische vrouwenclubs in samenwerking met de partijafdeling. Van Gelder trad samen met Jan Schaper op in Dordrecht. Na dit debuut zou ze nog vaak spreekbeurten vervullen, ook op straat in verkiezingstijd. Op 16 december 1919 trad zij aan als administratrice van De Proletarische Vrouw, het blad van de Bond van Sociaal-Democratische Vrouwenpropagandaclubs. In 1919 waren er 93 lokale verenigingen. Het blad was in 1905 als maandblad opgericht door redactrice Pothuis-Smit om vrouwen met weinig opleiding te interesseren voor en te informeren over maatschappelijke en politieke kwesties, belicht vanuit sociaaldemocratisch perspectief. Inmiddels verscheen het tweewekelijks. De administratrice, nu dus Van Gelder, verzorgde de administratie van de abonnementen (11.000 in 1919) en de losse-nummer-verkoop door de clubs. Ook maakte zij de financiële jaarverslagen.
Het bestuur van de SDAP was altijd verdeeld geweest over het nut van een aparte vrouwenorganisatie, laat staan dat het scheutig was met financiële steun. Dat veranderde met de invoering van het vrouwenkiesrecht (verkiesbaar stellen sinds 1917 en actief stemmen sinds 1919), dat voor velen in de partij eerder kwam dan verwacht. Nu kreeg het denkbeeld dat bij deze groep nieuwe kiesgerechtigden de ‘algemene’, op mannen afgestemde SDAP-propaganda onvoldoende aansloeg meer steun. Bijgevolg werd de subsidie aan de Bond in 1919 verhoogd tot een bedrag waarmee zowel de Bondssecretaresse als de administratrice van het blad voor het eerst bezoldigde, fulltime functies konden worden. Daardoor kon Van Gelder het zich veroorloven dat jaar te solliciteren naar de functie van administratrice van De Proletarische Vrouw. Al gauw werd ze daarnaast bestuurslid van de door Mathilde Wibaut-Berdenis van Berlekom geleide Amsterdamse sociaaldemocratische vrouwenclub en ging ze ook een zogenoemde lees- en ontwikkelingsclub leiden voor Amsterdamse leden die zich verder wilden scholen. Maar bovenal ontwikkelde ze zich tot de organisatorische spin in het web van de op vrouwen gerichte propaganda. Haar contact met vrouwenclubs in het hele land beperkte zich niet tot administratieve zaken. Ze gaf steun en advies aan de lokale ‘werksters’ over de manier waarop zij het blad ter plaatse door huisbezoek en colportage verdere bekendheid konden geven. Omdat vrouwen minder dan mannen op bijeenkomsten kwamen, was huisbezoek van groot belang. Daarover schreef ze in De Proletarische Vrouw stukjes met aanmoedigingen en tips. Ook woonde zij de vergaderingen van het dagelijks bestuur en hoofdbestuur bij, waardoor ze goed geïnformeerd raakte over alles wat in de Bond omging.
Op 5 juli 1922 werden de eerste Tweede Kamerverkiezingen gehouden waarbij ook vrouwen kiesgerechtigd waren. Binnen de partijtop was er opnieuw discussie over het nut van afzonderlijke vrouwenpropaganda zoals de Bond die voerde. Tegenstanders hadden weinig waardering voor toon en inhoud van De Proletarische Vrouw. Die discussie liep nog hoger op toen de verkiezingsuitslag voor de SDAP zwaar tegenviel en werd toegeschreven aan vrouwelijke kiezers die meer dan mannen geneigd zouden zijn de instructies van hun pastoor of dominee te volgen. Uiteindelijk besloot het partijbestuur in oktober 1922 om de Bond en de speciale vrouwenpropaganda te laten voortbestaan, maar wel in te zetten op meer samenwerking met de partij. Inmiddels bleek Van Gelder in ruim twee jaar de exploitatie van De Proletarische Vrouw professioneel te hebben georganiseerd, zodat het blad, nu met een oplage van 20.000, zichzelf kon bedruipen. Daarmee was het voor de partijkrant Het Volk aantrekkelijk geworden de uitgave van het blad over te nemen, wat in juni 1923 zijn beslag kreeg. Bovendien verscheen het blad nu wekelijks. De administratie en boekhouding werden voortaan op het kantoor van Het Volk gedaan en Van Gelder kwam er in dienst als propagandiste.
Vanaf het moment dat zij meer tijd voor de propaganda had, reisde zij het land door om tot in de verste uithoeken plaatselijke vrouwenclubs te bezoeken en daar inleidingen te houden over actievoeren met het blad teneinde nieuwe lezeressen te werven. Vaak ging ze dan ook samen met enkele vrouwen op huisbezoek bij adressen van lezers van Het Volk en van leden van sociaaldemocratische vakorganisaties om de echtgenotes warm te maken voor een abonnement, in de hoop dat de plaatselijke ‘werksters’ de kunst van haar afkeken. Over haar ervaringen als propagandiste publiceerde ze in De Proletarische Vrouw. Daarnaast verschenen er regelmatig andersoortige stukken, die ze met ‘S.v.G.’ (na haar huwelijk in 1927 ‘S.H.-v.G.’) ondertekende: verslagen van bijeenkomsten en andere evenementen, soms stukken over boeken of toneelvoorstellingen. Uit deze bijdragen aan het blad in de jaren twintig en dertig kwam zij naar voren als iemand met de vaste overtuiging dat ontwikkeling, dus kennisoverdracht, het belangrijkste instrument was om vrouwen uit de arbeidersklasse tot het socialisme te brengen. Ze was onmiskenbaar een leerling van Pothuis-Smit, en dat niet alleen in haar pacifisme en geheelonthouding (Van Gelder sprak eveneens over drankbestrijding), want ook blijkt ze zich te hebben aangesloten bij de religieus-socialistische beweging van de Woodbrookers.
Na haar tweede huwelijk bleef Van Gelder onvermoeibaar doorwerken als propagandiste op de manier die ze zelf al doende had ontwikkeld, minstens vier dagen per week op reis door het land, met de trein, soms met aansluitend een fietstocht om de afgelegen dorpen te bereiken. Door haar intensieve contacten overal in het land signaleerde ze nieuw vrouwelijk talent, zoals vrouwen die een leesclub konden leiden die vervolgens kon uitgroeien tot een nieuwe sociaaldemocratische vrouwenclub, of die geschikt waren als medewerkster van het blad. Nieuwe lezeressen voor het blad werven werd er niet makkelijker op toen de economische crisis van de jaren dertig in Nederland hard toesloeg, met grote werkloosheid tot gevolg. Daarnaast baarden de politieke ontwikkelingen in Duitsland zorgen. Maar deze jaren brachten ook technische innovaties, zoals de radio. Hoewel Van Gelder regelmatig praatjes voor de VARA-radio hield, bleef ze ‘de krant’, De Proletarische Vrouw, zien als het belangrijkste medium voor haar propagandawerk. Dat werk, met al het reizen, werd na zestien jaar te vermoeiend. In 1935 ging ze, zestig jaar oud, met pensioen en verhuisde ze met haar man naar Zeist. Het afscheid van wat ze als haar levenstaak zag, viel haar zwaar en ze zou nog vier jaar, tot 1939, haar beste krachten geven aan de sociaaldemocratische vrouwenclub in haar nieuwe woonplaats. In juni 1941 overleed ze in Zeist aan een longaandoening. Haar man verhuisde in september 1942 naar Amsterdam, dook onder en overleed in februari 1945 in Driebergen. Haar broer en zusters overleefden de Holocaust niet. In november 1946 werd Sara van Gelder kort herdacht op het eerste congres van de Vrouwenbond van de Partij van de Arbeid.

Behalve bijdragen aan De Proletarische Vrouw in de periode 1920-1935, Komt u ook eens luisteren? (Amsterdam 1927); Van breken en bouwen (Amsterdam 1933).
‘Op stap met “De Proletarische Vrouw”’ in: Het Volk, 2.11.1929 (interview); ‘Op stap voor “de Proletarische Vrouw”’ in: Het Volk, 29.10.1932 (interview); (C. Pothuis-Smit), ‘Een groot verlies (Bij het afscheid van S. Hegt-van Gelder)’, in: De Proletarische Vrouw, 11.9.1935; B. Reinalda, Bedienden georganiseerd (Nijmegen 1981) 172, 196, 274, 323; U. Jansz, Vrouwen ontwaakt (Amsterdam 1983) 70-71; A.-R. Wertheim en R. Künzel, Drie joodse herkomsten (Hilversum 2021) 73-75.
Fotoarchief De Arbeiderspers, De Proletarische Vrouw en Het Volk, 20.3.1928
Huwelijksakte 16.3.1927