DRIEHUIS, Klaas

Klaas Driehuis

anarchistisch cabaretier-dichter-zanger, is geboren te Amsterdam op 19 februari 1871 en overleden te Almelo op 3 november 1926. Hij was de zoon van Gerrit Driehuis, werkman, en Klara Maria Burger, werkster. Op 17 oktober 1900 trad hij in het huwelijk met Helena Maria Ravensloot, met wie hij een dochter en drie zoons kreeg.

Driehuis was enig kind, groeide op in armoede en verloor zijn vader op driejarige leeftijd toen die als heier verongelukte en in het Gasthuis op de Amsterdamse Achterburgwal overleed. In 1883 hertrouwde zijn moeder met een man die vooral uithuizig was en een reeks van veroordelingen wegens landloperij aan zijn broek kreeg. Hij bracht meer tijd in de gestichten te Veenhuizen en Ommerschans door, dan bij zijn gezin. Ondanks zijn schrale postuur werkte Driehuis jaren als los arbeider in de Amsterdamse havens. Hij was zijn leven lang aanhanger van het vrije socialisme en vernoemde zijn jongste zoon naar Ferdinand Domela Nieuwenhuis en de Spaanse vrijdenker Francisco Ferrer. Hij bezocht graag het gebouw Constantia, sinds 1890 het centrum van de Amsterdamse socialistische beweging met zowel politieke vergaderingen als gezellige bijeenkomsten. Driehuis vond daar de geborgenheid die hij thuis ontbeerde. Louis Hermans, redacteur van het satirische blad De Roode Duivel en schrijver van hekelgedichten, en toneelspeler en Multatuli-declamator Hijman Croiset organiseerden er toneel- en muziekuitvoeringen. Zij imiteerden de revues van de bekende August Reyding waarin de actualiteit op humoristische wijze werd bekritiseerd. De later beroemd geworden cabaretier Eduard Jacobs, net als Hermans en Croiset afkomstig uit een joods artiestenmilieu en bekend met het Franse maatschappijkritische cabaret van Aristide Bruant, luisterde de bijeenkomsten in Constantia op met pianospel. Jacobs leverde de vertalingen van Franse blijspelen die de socialisten opvoerden en waaraan Driehuis vol overtuiging meedeed. Ook in de havens stond hij bekend als iemand die zijn medearbeiders met veel succes vermaakte met grappen en grollen. Het inspireerde hem om ook te gaan dichten, zingen en regisseren. Zijn grote voorbeeld was de komiek Abraham de Winter, die ook politieke conferences hield. Driehuis trad belangeloos op voor de vrij-socialistische arbeidersbeweging, de vrijdenkersvereniging De Dageraad, de Algemeene Nederlandsche Geheelonthouders Bond en de Internationale Anti-Militaristische Vereeniging (IAMV). Daarnaast speelde Driehuis voor bij het Nationaal Arbeids-Secretariaat (NAS) aangesloten vakverenigingen. Met zijn optredens zamelde hij geld in dat voor de strijd kon worden aangewend. De vrij-socialistische beweging, maar ook het NAS, kende nauwelijks fondsen of stakingskassen en Driehuis was er bedreven in bezoekers hiervoor geld uit de zak te kloppen. Hij trad als solist op als ‘politieke grappenmaker’, maar ook met de eveneens uit het vrije socialisme afkomstige Annie Mounoury-Cornax als het Duo Driehuis. Driehuis en Mounoury speelden humoristische schetsjes, zoals ‘Wij koopen alles op krediet’ en zongen door Driehuis bewerkte bekende liedjes. Het nationalistische ‘O God verlaat mijn Neêrland niet’ werd omgewerkt tot het antimilitaristische ‘O God verlaat je kinderen niet’. Driehuis schreef verder komische toneelstukken en muzikale revues en probeerde ook de tegenhanger te zijn van de bekende cabaretier Henri ter Hall, een antisocialist, die met zijn humoristische revues over politiek en stakingen een groot publiek bereikte. Driehuis werd daarom aangekondigd als ‘de in de arbeiderswereld gunstig bekendstaande komiek’.

De in 1902 opgerichte Amsterdamse toneelvereniging Nut en Genoegen was jarenlang Driehuis’ thuisbasis. Deze stelde zich tot doel propaganda te maken voor het vrije socialisme en de onafhankelijke vakbeweging en gebruikte de opbrengsten om zieke kameraden te steunen. Men voerde naturalistisch-realistische stukken op van Maxim Gorki, Herman Heijermans, Henrik Ibsen en Inte Onsman, die de maatschappelijke verhoudingen aan de kaak stelden, maar ook het antimilitaristische toneelstuk ‘Offers’ van dominee Nicolaas Schermerhorn. Driehuis, secretaris van Nut en Genoegen, was niet alleen regisseur, maar vervulde ook tal van rollen. Hij was behendig ‘om de jongelieden in balans te houden en ze wat leven in te blazen, als ze gelijk zoutzakken op het toneel bleven staan’. Hij zou ook de complimenten van Heijermans hebben mogen ontvangen over de uitvoering van diens ‘Allerzielen’. Driehuis bemoeide zich met de kinderen uit de vrij-socialistische beweging door voor hen vrolijke revues zoals ‘Kinderleed en kindervreugd’ te schrijven. Hij keerde zich in zijn liedjes tegen de padvinderij, die kinderen in militaristische geest zou opvoeden.

Zijn hele leven zette hij zich in om de kinderen die de Amsterdamse Ontspanningsscholen ‘Hoop der Toekomst’ en ‘Haarlemmerpoort’ bezochten, te laten toneelspelen. Traditioneel was de jaarlijkse opvoering op 1 mei. Ook organiseerde hij voor de kinderen een prettige kerstmiddag. Die hoorden dan eerst Domela Nieuwenhuis aan, waarna Driehuis voor gezellige liedjes en taaitaai van broodbakkerij Arbeiders Maatschappij zorgde. Driehuis steunde met zijn optredens verschillende belangrijke stakingen, zoals de grondwerkersstaking van 1905, de bouwvakstaking van 1910 en de zeeliedenstaking van 1911. Dat deed hij met een revue waarin hij de gebeurtenissen muzikaal becommentarieerde. De sociaaldemocratische tegenstanders kwamen er in revues, zoals ‘Woelige tijden’ over de bouwvakstaking van 1910, slecht vanaf. Ook de mislukte kabinetsformatie met de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij in 1913 becommentarieerde hij in zijn liedjes. Driehuis deed decennialang mee aan vrij-socialistische propagandabijeenkomsten buiten Amsterdam. Zijn voordrachten brachten hem overal in het land waar het vrije socialisme over aanhang beschikte: van Vlissingen tot Emmer-Compascuum. Daar sprak men met waardering over de ‘knauwen die hij wist te geven aan ‘t kapitalisme en zijne helpers’. Met Mounoury luisterde hij in de provincie ook de 1 mei-vieringen op met muziek en schetsjes. In 1912 overkwam hem in de haven een arbeidsongeval, waarbij hij zijn rechteroog kwijtraakte. Omdat hij een tijdlang niet kon werken, werd een steunpenning geopend. Er werd gul gegeven, zodat hij in staat was een eigen handel te beginnen en de kost te verdienen met het venten van boter. Om zijn inkomen aan te vullen trad hij ook op voor niet-socialistische verenigingen. Daarnaast ontving hij een uitkering wegens de Invaliditeitswet die net was ingevoerd.

Domela Nieuwenhuis, die Driehuis bij zijn toespraken als komische act meemaakte, kon hem wel waarderen en schreef bij diens 25-jarig artiestenjubileum in 1915 in De Vrije Socialist: ‘In zijn genre heeft hij veel gedaan voor de beweging. Men moet het werk van zo’n “clown” niet geringschatten: Hij hoort er bij om ’t spel volmaakt te krijgen’. Driehuis maakte samen met Domela Nieuwenhuis en Johan Lodewijk in 1916 deel uit van een commissie die de hoofdredacteur van het ten ondergegane dagblad Het Volksblad, M. de Boer, aan een bestaan hielp als boekhandelaar met een uitleenbibliotheek. Tijdens de Eerste Wereldoorlog trad Driehuis op ten bate van de dienstweigeraars met liedjes als ‘Heldenloon, Jan was een flinke jongen’. Vaak vergezelde hij in die tijd dominee Schermerhorn, die namens de IAMV antimilitaristische lezingen hield. Ook na de oorlog bleef Driehuis dat doen, samen met Jo de Haas. Daarnaast bleef het Duo Driehuis veelvuldig optreden met de door hem bewerkte liedjes. In 1919 bewerkte hij het bekende lied ‘Mensch durf te leven’ van Dirk Witte tot een antimilitaristisch ‘Mensch durf te sterven’. Aanbiedingen om zijn revue ‘’t Is een rommel’ aan te passen om deze voor een groter publiek aanvaardbaar te maken, sloeg hij af. Ook al kreeg hij in 1920 met de uitvoering van zijn revue ‘Rumoerige Dagen’ het Amsterdamse Carré vol, hij peinsde er niet over zijn optredens zo aanvaardbaar te maken dat hij ervan kon bestaan. Van zijn boterhandel kon hij amper rondkomen, maar hij had een zorgeloos karakter en gaf zijn geld makkelijk weg. Om het huishoudgeld aan te vullen brachten zijn vrouw en kinderen het communistische dagblad De Tribune rond. Driehuis trad in deze tijd nogal eens op met kunstenaars als Anthon Bakels en Henk Eikeboom, aanhangers van de internationale Dada-beweging, die niet alleen antimilitaristisch was, maar waarvan sommige leden het anarchisme aanhingen. Bakels noemde zich voorzitter van de (fictieve) Nederlandse afdeling van ‘club Dada’. Eikeboom en hij stonden in contact met radicale kunstenaars als Theo van Doesburg en Erich Wichman. Driehuis, zeker geen vernieuwend kunstenaar, vond op deze manier aansluiting bij deze antiburgerlijke bohemiens. 

Bij de invoering van het algemeen kiesrecht in 1919 wezen de ‘club Dada’ en de vrije socialisten de stemdwang, de verplichting te moeten stemmen, af. Driehuis deed mee met het gemengde gezelschap kunstenaars en anarchisten, onder wie Gerhard Rijnders en de Amsterdamse anarchistische bootwerkersvereniging De Veelbelovers, dat uit protest tegen de stemdwang de Rapaille Partij oprichtte. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1921 werden de stadsfiguur Cornelis de Gelder, bijgenaamd Had-je-me-maar, en de vrije socialist en venter Bertus Zuurbier in de Amsterdamse raad gekozen. De vrije socialisten wilden tijdens de Tweede Kamerverkiezingen van 1922 opnieuw protesteren tegen de parlementaire democratie en de stemdwang. Er kwam een Centraal Comité der Rapaille Partij dat kandidaten stelde die het parlementaire stelsel niet serieus namen: ‘Het parlement lacht om U, U lacht om het parlement’. Driehuis werd lijsttrekker ‘om de kiezers te laten brullen van het lachen’, met een kieslijst waarop naast enige volkstypes ook andere vrije socialisten, zoals oud-NAS-bestuurder P.W. Oversteegen en Zuurbier, stonden. Hij liet zich in pak fotograferen achter zijn bureau, met op de achtergrond een portret van Domela Nieuwenhuis. De Vrije Socialist maakte propaganda voor Driehuis en beweerde dat deze zijn Kamerlidtraktement voor het blad zou bestemmen. Driehuis reisde het land af voor zijn verkiezingscampagne. Ingeleid door Eikeboom of Rijnders en begeleid door piano en viool lichtte hij het partijprogramma al zingend toe. Debaters dienden zingend te opponeren. Verder declameerde hij gedichten van Abraham van Collem voor een publiek dat bestond uit ‘een heterogene verzameling van antimilitaristen, drankbestrijders, aardige meisjes met kortgeknipte haren’ en veel vrienden en bekenden. Driehuis eiste een zes-urige werkdag voor trekhonden en de afschaffing van mond-en-klauwzeer en belasting. Niet iedere vrije socialist was van deze wijze van protest gediend. Het sociaal-anarchistische De Toekomst schreef tegen Driehuis’ escapades en de vrije socialist Lodewijk, tegenstander van stemdwang en tegenstander van het stellen van protestkandidaten, bestreed hem op principiële wijze. Omdat Driehuis anders dan bericht zijn Kamerlidtraktement voor zichzelf wilde houden, zou hij persoonlijk profiteren van de verfoeilijke stemdwang. Ook vanuit de Sociaal-Anarchistische Jeugd-Organisatie kreeg Driehuis kritiek te verwerken. De Rapaille Partij viel bovendien slecht bij de Socialistische Partij (SP). Zittend Tweede Kamerlid Harm Kolthek, die vreesde dat Driehuis stemmen van zijn partij zou afsnoepen, meende dat Driehuis, die ook in kringen van SP en NAS immens populair was, het parlementaire werk niet serieus nam. Hoewel de Rapaille Partij niet in iedere kieskring meedeed en de lijst in Den Haag ongeldig werd verklaard, kreeg Driehuis 12.000 stemmen. Dat was evenveel als Kolthek, maar beiden behaalden geen Kamerzetel.

Driehuis hervatte zijn optredens en voerde in de Hollandsche Schouwburg zijn antimilitaristische kindermusical ‘Het einde van een jongensoorlog’ op, een bewerking van het boek van Joan A. Nieuwenhuis en uitgevoerd door de kinderen van de Ontspanningsschool ‘Hoop der Toekomst’. De muziek werd verzorgd door de vrij-socialistische gemeentewerkliedenmuziekvereniging Forzando. Driehuis ging tekeer tegen de rijwielbelasting die minister van Financiën Hendrik Colijn invoerde: ‘Belasting op het rijwiel en de thee enzoovoort/ Omdat ze weer beginnen aan ’n nieuwe massamoord/ Wij leven hier zoo knus en fijn/ Onder leiding van boer Colijn’. Hoogtepunt voor Driehuis was in 1923 de opvoering onder zijn regie van de door hem geschreven komische revue in éénenveertig taferelen, ‘Mussolini in Amsterdam’, bedoeld om het Nederlandse fascisme van het in dat jaar opgerichte Verbond van Actualisten belachelijk te maken. Rotterdamse havenwerkgevers financierden dit verbond teneinde hier een fascistische vakbeweging te beginnen. De revue werd uitgevoerd door het socialistische propagandakoor Voorwaarts, de syndicalistische mondorgelclub en de twaalf oudste meisjes van de Hoop der Toekomst, die het ballet dansten. Eind 1923 begon Driehuis te sukkelen met zijn gezondheid (hij leed aan een leverziekte), waardoor hij in financiële problemen kwam. Schermerhorn riep op hem te steunen: ‘een postwisseltje is gauw gestuurd’. Nut en Genoegen gaf een benefietvoorstelling. Met het geld kon Driehuis een tijdlang kuren op de Veluwe om weer op krachten komen, waarna hij begin 1925 voor zijn gezondheid naar Almelo verhuisde. Zijn gezin bleef achter in Amsterdam. In Almelo vond hij werk als loper bij de plaatselijke coöperatie en stortte hij zich weer met hart en ziel op het toneelspelen. Hij organiseerde een bonte avond, waar zijn bekende stuk was omgedoopt in ‘Mussolini in Twenthe’ en werd uitgevoerd door de socialistische gemengde zangvereniging De Volksstem. In hetzelfde jaar werd zijn 35-jarig jubileum als revolutionair entertainer gevierd met een toneelvoorstelling met Driehuis in de hoofdrol. Daarna ging het bergafwaarts met zijn gezondheid en werd hij in het ziekenhuis opgenomen. Omdat hij de kosten van de verpleging niet kon opbrengen, zamelde de vrij-socialistische beweging opnieuw geld voor hem in. Driehuis stierf na enige weken en werd slechts 55 jaar. 

Anton Constandse noemde Driehuis een proletarisch cabaretier, die nooit het succes kon hebben van Koos Speenhoff of Louis Davids, omdat Driehuis geen verstrooiing bracht, maar de grondslagen van de samenleving ter discussie stelde, terwijl zij slechts deernis toonden met de armen. De Tribune vond dat Driehuis door middel van het toneel de revolutionaire arbeiders had gediend. De Syndicalist schreef dat hij een hard leven had geleid, maar, ‘Ter neergeslagen hebben wij hem nooit aangetroffen’. Zijn zoon Klaas volgde de voetsporen van zijn vader en trad nog tot ver in de jaren vijftig op als toneelregisseur. In 1975 wijdde Jaap van der Merwe een televisieprogramma aan Driehuis. 

Publicaties: 

Mussolini in Holland. Politieke Revue in drie bedrijven (z.p. z.j.); Brave Boerenzoon Colijn (Amsterdam z.j.); Mussolini in Twenthe. Politieke revue in twee bedrijven en een voorspel (z.p. z.j.); ‘Heldenloon, Jan was een flinke jongen’, gezongen op www.newfolksounds.nl/wp-content/uploads/2013/08/Edda-Barends-Heldenloon-....

Literatuur: 

J.H. Speenhoff, De zeteljacht van het Nederlandsche Volk (Amsterdam 1922); De Tribune, 12.8 en 3.10.1925; De Syndicalist, 6.11.1926; J.A. Nieuwenhuis, Een halve eeuw onder socialisten (Zeist 1933); J. van der Merwe, Gij zijt kanalje, heeft men ons verweten! Het proletariërslied in Nederland en Vlaanderen (Utrecht 1974); A. Constandse, De alarmisten 1918-1933 (Amsterdam 1975); J. van der Merwe, ‘De gehele stad heeft in opschudding gestaan’ in: Het Vrije Volk, 1.11.1984; P. Jacobs, Henk Eikeboom, anarchist (Haarlem 1986); J.L. van der Pauw, Coremans de rapaljaan. Opkomst en ondergang van L.G.A. Coremans en zijn Rapaille Partij (Rotterdam 1986); K. Vossen, Vrij vissen in het Vondelpark. Kleine politieke partijen in Nederland 1918-1940 (Amsterdam 2003); R. Blom, De oude Socialistische Partij van Harm Kolthek. Ontstaan, opkomst en ondergang van een ‘libertair-socialistische’ partij (1918-1928) (Delft 2009); V. Stolk, Tussen autonomie en humaniteit. De geschiedenis van levensbeschouwelijk humanisme in relatie tot opvoeding en onderwijs tussen 1850 en 1970 (Utrecht 2015).

Portret: 

Klaas Driehuis, 1922; Geheugen van Nederland.

Handtekening: 

Huwelijksakte van Driehuis/Ravensloot dd. 17 oktober 1900. Reg 33, fol. 49, akte 3245, akteplaats Amsterdam. Als bruidegom.

Auteur: 
Jannes Houkes
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA online (2018)